Wat vooraf ging
Over: Puerto Diablo 1 | Puerto Diablo 2 | Puerto Fiesta | Puerto Diablo 3 | Puerto Diablo 4 | Puerto Diablo 5 | Puerto Diablo 6 | Puerto Diablo 7 |
De maten kijken allemaal op van hun werk en even heerst er spanning aan boord. Je weet immers nooit. "'t Zijn Fransozen!" wordt van boven geroepen. Een zucht van verlichting gaat rond. Fjelle loopt naar de reling om zijn emmer te vullen en onderwijl tuurt hij ingespannen naar het schip dat voor hen uit vaart. Op de achterplecht wuift een grote vlag met de franse lelie. Het grote zeil is gereven. Dan hoort hij Boots schreeuwen. Ze blijven zelf onder zeil. De Nywe Hoorn is veel kleiner dan het franse galjoen en veel wendbaarder.
"Kappie wil voorpiepen." Harm is een kop groter dan Fjelle en dit is zijn derde tocht al. Hij legt uit aan Fjelle dat als ze eerder in de baai van het eiland voor anker gaan, ze ook eerder klaar zijn om hun handelswaar aan te bieden.
Een tijdje kijken ze toe hoe ze op de Fransoos inlopen. Dan slaakt Harm een kreet van verbazing. Het franse schip draait en lijkt de wedstrijd al op te geven. De bemanning juicht wanneer ze het schip nu snel naderen. Maar dan klinkt er een nieuwe kreet van boven. Nog een schip. Fjelle leunt over de reling en kan net zien hoe schuin achter hen om de rotsen heen een tweede galjoen tevoorschijn komt. Het vaart onder volle zeilen en komt recht op hen af. "'t zijn Engelsen," mompelt Harm. "Ha, ze komen te laat," lacht Fjelle, "dit winnen wij toch wel." Maar Harm blijft bezorgd kijken.
Dan worden ze allebei in hun nekvel gegrepen en hardhandig naar het want geduwd.
"Naar boven jullie, slampampers," bromt Sjoele, "Of moet ik de Boots erbij halen?"
"Haal die broek op," roept de Boots van achter. Harm en Fjelle klimmen snel naar boven en beginnen aan de leien te trekken. Van beneden klinkt een vrolijk gezang. "Wy settede de tonne op zijn bodem, ende dronckense eerst leech…" Het belooft een goede dag te worden. Twee schepen tegelijk, dat is goede handel. En ze bereiken als eerste de kolonisten op de noordkust van Hispaniola, let maar op…
Maar dan klinken er een kreten van verbijstering. Fjelle kijkt om en ziet het Engelse schip scherp bijdraaien. Het is nu zo dichtbij dat je de bemanning kunt zien rondrennen. Hij hoort Harm vloeken. Aan de andere kant is ook de Fransoos bijgedraaid. De Nywe Hoorn kan er nu makkelijk tussendoor schieten. Maar er klopt iets niet. En dan ziet Fjelle het ook. De beide schepen hebben hun geschutspoorten geopend. Vol ongeloof kijken de Hollanders toe hoe van beide zijden meer dan dertig kanonnen met de lopen op hen gericht worden.
"Ze gaan elkaar beschieten," schreeuwt Harm en hij begint razendsnel omlaag te klimmen. Fjelle verliest bijna zijn houvast en kijkt dan wild van het ene naar het andere schip. Ze zitten er nu precies tussenin. Beneden klinkt geschreeuw en er wordt gerend. Dan lijkt het alsof de wereld vergaat. Eerst zijn er de rookpluimen, uit beide schepen tegelijk. Dan klinkt van weerszijden de rollende donder van kanonnen. En vrijwel tegelijk is er het gieren van kogels, ontploffingen, krakend hout en het gillen van matrozen. Het boeisel spat uiteen door de kracht van een kogel en een regen van splinters zaait dood en verderf aan dek. Fjelle gilt wanneer hij Harm ziet vallen. Dan voelt hij de touwen slap onder hem wegvallen. Hij hoort hevig gekraak en ziet het zeil kantelen. De mast is geraakt en die komt recht op hem af. Fjelle probeert zich vast te grijpen, maar vindt geen houvast meer. Terwijl hij valt hoort hij de kanonnen van de Nywe Hoorn bulderen. Het zijn er maar tien in totaal, maar ze schieten naar beide kanten, allemaal tegelijk. Met een plons komt hij in het water terecht. De klap beneemt hem de adem en hij heeft suizende oren. Hij graait in paniek om zich heen. Lucht, hij heeft lucht nodig. Dan komt hij boven en hapt naar adem. Meteen krijgt hij een hoestbui. Er hangt dikke rook boven het water. Hij hoort nog steeds niets, verdoofd als hij is door het gedonder van de kanonnen. Met de smaak van bloed in zijn mond kijkt hij naar het schip. Aan de rookpluimen ziet hij dat de kanonnen nog een keer bulderen, maar hij hoort ze niet. Vrijwel gelijktijdig ziet hij de scheepswand uit elkaar springen. Maten vliegen door de lucht. Het regent vuur en Fjelle duikt snel onder. Wanneer hij weer boven komt, grijpt hij een stuk hout vast. Door de rook heen ziet hij dat de Nywe Hoorn zwaar slagzij maakt. Door het suizen in zijn oren heen hoort hij nu van ver mensen schreeuwen en kermen. Er wordt een sloep uitgezet en hij ziet de Hoge Heren van boord gaan. Ondertussen klampt hij zich vast aan het maststuk en hij kijkt om zich heen of hij iets kan zien van de andere schepen. De Fransoos is vlakbij en staat in brand. Aan de andere kant ziet hij dat het Engelse schip ook vervaarlijk overhelt....
Het spelgegeven van het eerste Puerto Diablo evenement was dat drie schepen (Engels, Frans en Nederlands) elkaar kelderen voor de kust van een klein, slaperig Spaans eilandje: Puerto Diablo. De meeste drenkelingen werden door de Spanjaarden opgevangen, die niet zo goed wisten wat ze met deze vreemdelingen aan moesten. Andere drenkelingen spoelden aan op een klein eilandje voor de kust van Puerto Diablo, waar een groep vrijbuiters huist. Vanaf dat moment bepaalden de spelers de loop van het spel.
In de loop van het weekend begonnen de vreemdelingen zich steeds meer te misdragen: grafroof, diefstal uit de bibliotheek, ongeoorloofd junglebezoek, openbaar belijden van protestante godsdiensten en bemoeienis met de precaire balans tussen de locale onderwereld en autoriteiten.
Het duurde dan ook niet lang voor er opgetreden werd: het cachot zat vol en de galg deed zijn werk. Het bezoek van de grootinquisiteur der Caraïben maakte het er niet beter op. Als klap op de vuurpijl bleek het Franse schip mariniers te vervoeren die in naam van de koning het eiland st. Michelle (zoals de Fransen Puerto Diablo noemen) wilden heroveren. De weinigen van hen die de scheepsramp overleefden werden zonder pardon geëxecuteerd.
Tijdens de uiteindelijke escalatie stierf de Spaanse gouverneur Don Allehandro Tedesco toen hij er op toe zag dat de doopsgezinde hageprediker opgepakt zou worden. Enkele van de volgelingen van de hageprediker bemoeiden zich met de arrestatie en het werd een bloedbad, waarbij velen het leven lieten.
Als afsluiter deed de nieuw benoemde bisschop der Caraïben het eiland aan. De beste man had haast nog geen voet op vaste grond gezet, of de Spaans priester loste - te vergeefs - vanuit de struiken een musketschot op zijn bisschop. Wat heeft dat nu weer te betekenen?!
Uit het dagboek van Al Quemenar de Torres, Grootinquisiteur der Caraiben
25 juni 1663, aan boord van de Sancta Cruz
Eindelijk ben ik bijgekomen van mijn verblijf op het diabolische Puerto Diablo. Als het onze lieve heer behaagt dit eiland met vurige regen te bestoken en daarna in de golven te laten verzwelgen, zal ik er geen traan om laten. Bij alle heiligen, wat een poel des verderfs. Niet alleen bleken alle geruchten die de ronde doen waar (corruptie, smokkelpraktijken, vrije interpretatie van de schrift, openlijk protestantisme) : het was nog veel erger.
Ik heb zojuist de duivelsche tovergeschriften van de vervloekte joodse conversos ter zijde gelegd. Dat de gouverneur zo een iemand de hand boven het hoofd hield. Bovendien maakt zijn zachte, onduidelijke, aanpak van de ketterse, niet Spaanse drenkelingen, daar onlangs aangespoeld de situatie er niet beter op. Ik zal mijn macht aanwenden om hem te laten vervangen door een competenter leider. En bovendien de naam van het hele eiland te laten veranderen. Goddank dat de kapitein van de wacht niet tot corruptie en weekhartigheid is vervallen; anders viel er niets meer aan te redden aan de hele situatie.
En dan die priester, die niets anders dan hel en verdoemenis predikt. Geen woord over de ware aard van het Rooms Katholicisme: de vergeving door de kruisdood en dat God liefde is.
Maar als klap op de vuurpijl was er een lutherse hageprediker. Dat er zich corsaros lutheranos ophouden in de periferie van het Spaansche Rijk is bekend en tot daar aan toe, maar dat hun ketterse predikant mij eerst bestookt met passages uit de Opbaringen - in zijn landstaal nota bene- en vervolgens beveelt het vuur op mij openen... Gelukkig waren zijn schutters niet al te goed geoefend en is mijn sloep slechts in de romp geraakt. Deo volente.
Het valt me erg mee dat gouverneur Don Allehandro Tedesco gehoor gaf aan mijn bevel het kampement van de lutheranos met al zijn geschut met de grond te gelijk te maken. De hand van het Vaticaan reikt ver en slaat hard en genadeloos toe. Mogen al dat gajus, die hoeren, gokkers en die predikant van het serpent de dood gevonden hebben.
Het zou me niet verbazen als die muzelvrouw die het zich tot de Heilige Moederkerk heeft bekeerd een van de weinige ware gelovigen blijkt te zijn. Dat soort bekeringen doen mij goed. Het zijn kleine, maar o, zo belangrijke lichtpunten in deze duistere tijden.
Ik hoop dat de Heer zich over de oprechte gelovigen (waaronder twee -hoewel Franse- zeer vrome nonnen) van Puerto Diablo ontfermt en hen beschermt tegen de vele gevaren aldaar.
Een matroos komt zojuist binnen om te melden dat we Bayo de Guantanamo - een rustig havenstadje op Cuba - binnenlopen. Dat werd tijd (we hebben een flinke omweg gemaakt om het piratennest Tortuga te omzeilen).
Ik moet mijn spullen bijeen gaan pakken. We gaan zo aan land. Ik ga met de burgemeester praten. Hopelijk valt het hier mee na alle misstanden van mijn vorige onderzoek.
IJsbrandt de Hageprediker is door de Spanjolen gedood, samen met nog andere vrijbuiters; een lafhartige moordpartij. Dat gouverneur Tedesco daarbij ook om het leven kwam, maakt de zaak niet veel beter. Hoe moet de precaire vrede nu gehandhaafd worden? Gelukkig is Maarten Dollaert, de ongekroonde koning der Vrijbuiters, een gewiekste kerel, die altijd wel weer een oplossing vindt. Maar dat brengt IJsbrandt, die door velen in het hart was gesloten, niet meer terug.
Het zijn onzekere tijden. Wat zullen de Spanjolen gaan doen, nu hun gouverneur dood is? Zal El Capitano Sergio Servantes de macht grijpen? Het Spaanse dorp zal wel in rep en roer zijn na de mislukte aanslag op de nieuwe bisschop der Caraïben die op doorreis Puerto DIablo aandeed.
De zon is nu helemaal verdwenen. Het rode licht speelt nog met de onderzijde van de wolken in het westen en de eerste sterren beginnen te twinkelen in de jonge nacht. Wat zal de nieuwe dag Puerto Diablo en haar inwoners gaan brengen?
Op vrijdagavond werden voor de kust van Puerto Diablo nog meer overlevenden van de zeeslag een week eerder gevonden. Deze sloebers waren er slecht aan toe en werden dan ook snel door de autoriteiten opgehaald. Volgens geruchten hadden zij wat bijzondere scheepslading bij zich die op hun rots was aangespoeld in de week die zij daar doorbrachten.
In het Spaanse havenstadje had de beul het druk die avond. De executie van Piedro Gomez, de voormalige priester stond op het programma. Deze had een musketschot gelost op mgr. Manzanarez, die nieuwe bisschop der Caraïben, dat werd opgevangen door een soldaat uit diens lijfwacht.
Maar voor het zover kwam deed een dame van lichte zeden een pikant voorstel aan de edelman Don Maria Lopez, in de nabijheid van diens vrouw, waarop de sloerie door de toch al kort aangebonden capitano Don Sergio Servantez, direct op de brandstapel werd gezet. Commentaar hier op van een schaars gekleede franse dame, leidde haast tot een tweede verbranding.
Het werd een avond vol gruwelen. Toen de moordlustige priester uit zijn cel werd gehaald, bleek hij een geladen musket bemachtigd te hebben, waarmee hij een soldaat neerschoot. De priester wist de jungle in te vluchten, maar werd daar al snel gevangen en ter dood gebracht.
Zaterdag werd Don Maria Lopez geïnaugureerd als tijdelijk gouverneur van Puerto Diablo, om de leemte op te vullen na het voortijdig heen gaan van zijn voorganger Don Allehandro Tedesco. Deze wist zich snel populair te maken, onder andere door voor de avond een groot feest aan te kondigen. De twee franse nonnen richtten, met toestemming, een veldhospitaal in, bij de ruïnes van het voormalige Franse dorpje.
Ondertussen werd het steeds meer mensen duidelijk dat er op het uiteinde van de landtong waar ook de kapel en de begraafplaats liggen, een kampje was ontstaan waar de bemanning van een schip van de West Indische Compagnie verbleef.
Volledig onverwacht arriveerde een architect met de opdracht om Vrijbuitereiland bouwrijp te maken voor de constructie van een groot fort, dat de route van de jaarlijkse Spaanse zilvervloot moet beschermen tegen piraten. Er is van haar echter niets meer vernomen. Het gerucht gaat dat zij op weg naar het rotseilandje overboord sloeg door de gevaarlijke getijdenstromingen rond Puerto Diablo. Anderen beweren dat zij in een van de gevaarlijke rotspleten van Vrijbuitereiland is gevallen.
Tegen de avond werd de nieuwe gouverneur steeds nerveuzer over de lange afwezigheid van zijn vrouw. Ondanks enkele zoektochten bleef zij onvindbaar, hetgeen de feestvreugde verpestte. Alsof het niet erger kon, kreeg Capitano Sergio Servantez een gifslang in zijn harnas geworpen door een fransoos van Vrijbuitereiland. Servantez vluchtte voor zijn leven de jungle in, waar hij zijn zinnen verloor en later in een vuurgevecht omkwam met de mensen die hem juist een antigif wilden brengen. De ladderzatte Don Lopez besloot om zijn gedachten te verzetten op de pas gesignaleerde poema te gaan jagen, maar omstanders brachten hem gelukkig op andere gedachten.
Zondag was een dag van rouw. De mis was opgedragen aan Sergio Servantes en daarna was er in de haven een militair afscheid met saluutschoten. Erg roerend was het speciaal geschreven rouwgedicht de Engelse dichter. Boze tongen beweerden echter dat veel van de emotie en de tranen te danken waren aan de blijdschap om het heengaan van El Capitano.
De zee rond het eiland is rustig. De sterren stralen helder in de heldere nacht. Een oplettend persoon zou kunnen zien dat zich boven Hispagnola – slechts enkele mijlen verderop – donkere wolken samenpakken. Zoals iedereen in deze streken zal beamen, is het weer in de Caraïben verraderlijk en kan plotseling omslaan…De golven klotsen kalmpjes tegen de meerpalen in de haven. De twee soldaten die op wacht staan, dommelen bijna in door het rustgevende gekabbel. Afgelopen middag was het hier wel anders. De kannonen bulderden hun saluutschoten over de malle baai, om de overleden capitano Sergio Servantes te eren. Een dichter droeg zijn werk voor. Een oplettende toeschouwer (wellicht dezelfde die later, in de nacht, naar Hispagnola zal kijken) had kunnen zien, dat maar weinigen werkelijk rouwden. De soldaten leken zelfs opgelucht. Wie was deze Servantes eigenlijk? Wat hield hem bezig: wat heeft hem zo hardvochtig gemaakt. Niemand die eigenlijk weet wat hij deed voor hij als hoogste officier van dit eiland werd aangesteld. Dat zal wel altijd een raadsel blijven. Sergio’s rechterhand, Ignatio Castelnuovo is nu de hoogste in rang. Wat zouden zijn plannen zijn? En dan is er natuurlijk de nieuwe gouverneur – Don Maria Lopez. Wie zal zeggen welke koers hij zal gaan varen?
Maar gelukkig zijn de meesten het erover eens dat zowel capitano Castelnuovo als Don Lopez wijze, vreedzame mannen zijn. Eindelijk lijkt Puerto Diablo in rustiger vaarwater gekomen. Sinds het zinken van de drie vreemde schepen en de komst van de drenkelingen, het bezoek van de inquisiteur en de nieuwe bisschop van Cuba eb alle drieste ontwikkelingen daaromheen, is een periode van rust welverdiend.
Als de oplettende persoon (nog steeds dezelfde) naar de sterren zou kijken, zouden deze versluierd blijken achter een ijle wolk: de eerste voorbode van een storm die vanuit het zuiden opsteekt. Zoals iedereen in deze streken zal beamen, is het weer in de Caraïben verraderlijk en kan plotseling omslaan…
Puerto Fiësta ter viering van de inauguratie van de nieuwe gouverneur
Om zeven uur stonden de gasten voor het feest van Don Maria Lopez voor de deur van taveerne "de Sombrero de Tres Picos". Binnen was alles voorbereid: er was goed veel drank ingeslagen, de mokken en roemers stonden te glanzen, de kwispedoor was uitgesopt en de tafels van schone lakens voorzien.
De deurwacht fouilleerde een ieder die binnenkwam en niet van Spaanse adel was.
Don Maria Lopez heette daarna iedereen welkom en deed erg blij. Volgens velen was hij eigenlijk nerveus dat de officiële aanstellingsbrieven niet op tijd zouden komen. Secretaris van de Casa de Contratacion Don Ramon Valdez schroomde niet meerdere malen te herhalen dat het tot nu nog steeds om een ‘tijdelijke’ aanstelling ging. Daarnaast drukte de last van de verdwijning van zijn vrouw zwaar op de schouders van Don Lopez.
Gelukkig duurde het niet al te lang alvorens een heraut van de Spaanse Admiraliteit, vergezeld door een lijfwacht, de bescheiden kwam brengen. Met gepast decorum werd Don Ramon geïnaugureerd en gaat voortaan als Gouverneur Lopez door het leven. Tevens werd Ignatio Castelnuovo bevorderd tot nieuwe Kapitein van de Wacht. Johannes van der Drecht, de padre van het eiland, sprak zijn zege uit over de nieuwe bevelhebbers en het klinken en drinken kon beginnen.
Het was een bont gezelschap, dat men normaal niet snel te samen zou zien. Vrijbuiters, Nederlandse handelaren, Spaanse soldaten en zelfs de Beul van Puerto Diablo, zaten gezamenlijk aan het bier. Een zekere Dolle Dries van een Nederlands schip in de buurt, waagde het om het "de Stad Amsterdam" te zingen ten overstaan van de hele herberg, zonder dat er gruwelijke represailles volgden. Een week geleden toen Capitano Servantez de scepter nog zwaaide, zou dit onmiddellijk tot een ernstige lijfstraffen geleid hebben. Ook "Al die willen te Kapre varen", werd gedoogd als zijnde een onschuldige, puberale, Nederlandse culturele uiting. "Yo ho ho, it's a Pirates Life for Me" werd echter in de kiem gesmoord. Toch mag wel duidelijk zijn dat tolerantie hoog in het vaandel staat van de nieuwe Gouverneur.
Ondertussen wisselde de "Sombrero de Tres Picos" van uitbater. Isabella Velasquez, voorheen de waardin, deed de boel over aan Madame Nina Larouchelle, een franse dame over wie wilde geruchten de ronde doen.
Ondanks de ontspannen sfeer werd er bijna roet in het eten gegooid door een zekere Guillermo de Boer. Volgens omstanders een buurman van de plantage van Don Maria Lopez. Deze stormde voorbij de deurwacht, bazelde van alles over droogte en muskaatnoten, om vervolgens een geladen pistool te produceren, dat hij op de nieuwe Gouverneur richtte. Voor hij ook maar enige schade kon aanrichten, werd hij vakkundig neergesabeld door de wacht en naar het cachot gesleept.
De rest van de avond werd er gelukkig weer vrolijk doorgefeest en gezongen. Roy Mendelsohn, de Engelse diplomaat van het gezonken schip "The King Charles", werd ernstig ziek. Boze tongen beweren dat het een mislukte vergiftiging betrof...
Daarna kwam, ietwat ongelegen, Rare Arie binnen; de dorpsgek van Vrijbuitereiland. Deze stortte zich al snel, samen met onder andere de padre en de non (??) in het kaartspel (met pinda's als inzet. Enkelen beweren dat deze uit het zicht van de autoriteiten en de kerk voor geld ingeruild konden worden). Arie beloofde na enkele korenwijntjes aan Yvette, een frivole franse dame, haar te trouwen. De padre beaamde onmiddellijk dat dit een goed plan zou zijn, in verband met de redding van de twijfelachtige reputatie van de dame in kwestie.
Rond middernacht werden de gelederen weer opgeschrikt. Henoch Mendez, de bibliothecaris, bloedde plotseling heftig vanuit het hoofd. Even ging het gerucht dat Henoch zou lijden aan de vliegende tering, waarop paniek ontstond. Al snel werd dit gerucht ontkracht. De piskijker van Vrijbuitereiland en de assistent van Henoch, ook een geneesheer, stelden vast dat de bibliothecaris niets ernstigs mankeerde.
De uren daarna verdween de ene na de andere gast en uiteindelijk ook de Gouverneur zelf richting de brits en eindigde het feest, ondanks enkele nare momenten, in een groot succes.
Vrijdag kwamen de laatste drenkelingen van de drievoudige scheepsramp - enkele weken terug - de jungle uitgestrompeld. Deze lieden waren net op tijd om de onthulling van de grafsteen van -de voor hen onbekende- Capitano Servantes mee te maken. Op de plantage bleek opzichter Nuez Moscados in zijn eentje de scepter te zwaaien, nu plantage eigenaar Don Maria Lopez als nieuwe gouverneur dringender zaken aan zijn hoofd had. Bijna de voltallige bemanning van de Zeearend bleek aan wal te zijn om feest te vieren. De herstelwerkzaamheden aan het schip van de West Indische Compagnie bleken bijna voltooi: Op zondag zou het schip zeewaardig zijn.
Op zaterdag was deze bemanning dan ook weer terug naar het schip. Onder diverse groeperingen die van het eiland weg wilden, had het plan post gevat om nu snel te gaan handelen om tijdig de Zeearend in handen te krijgen. Onbewust van het dreigende gevaar hielden de edelen van Puerto Diablo een fiësta op de plantage; voorzien van heerlijke tapas geserveerd door twee onlangs gearriveerde Spanjaarden. Onder deze druk -deels omdat hij getuige was van de lafhartige moord op Dries, de opperkoopman van de Zeearend- wist Rare Arie, de dorpsgek, een jarenlang geheugenverlies van zich af te schudden en ontpopte zich zo als de gevreesde Grijnzende Heijn: De schrik van Hispagnola. Na een dag die zwanger was van dreigend geweld, barste ’s avonds de bom: een sloep met Ignatio, de Capitano van het Spaanse garnizoen, en enkele soldaten aan boord werd door de kanonnen en granaten van de Zeearend tot zinken gebracht. Alle opvarenden van de sloep werden hierbij gedood.
Hierdoor bleven er in het Spaanse havendorpje nog maar twee soldaten over. Dit leek het startschot te zijn voor nationalistische Fransen en andere opstandige elementen op Vrijbuitereiland om scheep te gaan en naar de haven op te rukken. Na een korte schermutseling onder aanvoering van Maarten Dollaert, Roy Mendelsohn, Krijn de Kuyper en Grijnzende Heyn viel het dorpje in vrijbuiterhanden. Veel Spanjaarden werden gefolterd en gedood. Gouverneur Lopez werd in leven gelaten als eventueel nuttig voor in de toekomst. Een onhandige samenloop van plannen was dat een andere groep Vrijbuiters zelfstandig eerder op de dag het plan had opgevat de Spaanse barakken te verbranden. Juist toen de nieuwe heersers van Puerto Diablo de wapens en het buskruit wilden halen, knalde de hele voorraad.
Op zondag werden de plannen van Maarten en zijn kompanen om de Zeearend te gaan kapen ruw verstoord. De achterblijvers op Vrijbuitereiland die het helemaal zat waren dat de nieuwelingen de dienst uitmaakten, hadden alle sloepen gestolen en waren naar de Zeearend gevaren, waar zij asiel kregen. Tot overmaat van ramp landde niet lang daarna een bataljon van het Spaanse leger, dat door het galjoen “Fuego de Dios” werd gebracht. De bouw van het fort op Vrijbuiterseiland schoot volgens het Spaanse hoofdkwartier niet voldoende op en blijkbaar had iemand daar bedacht dat de gouverneur een steuntje in de rug kon gebruiken. Zonder slag of stoot gaven de Vrijbuiters in de Spaanse haven zich over aan de overmacht. Roy Mendelsohn, die een poging waagde met de Capitano te onderhandelen, werd, op aanwijzing van Don Lopez, zonder pardon neergeschoten. Alle vreemdelingen werden naar de Franse ruïnes gedreven. Enkelen van hen werden wreed in het water gegooid, terwijl anderen moesten toezien hoe zij verdronken. Velen wisten het stuk naar Vrijbuitereiland te zwemmen, anderen werden opgepikt door vlotten die razendsnel in elkaar waren gezet. Helaas bleek ook vrijbuitereiland niet veilig. De kapitein van de nieuw aangekomen troepen stelde een ultimatum: Na een half uur zou het eilandje met kannonen beschoten worden, daarna zouden de Spaanse troepen aan land gaan en eenieder die nog leefde om het leven brengen.
Er volgde een ware exodus naar de Zeearend. Op gammele vlotten of zich vastklampend aan wrakhout waagde men de oversteek naar het WIC-schip. Daar aangekomen werden velen, die eerder in ongenade waren gevallen met de bemanning van de Zeearend of de Vrijbuiters van het eerste uur, weer in zee teruggeworpen (dood of levend)... en zo eindigde Puerto Diablo III in een orgie van geweld en machtswellust. Een wind steekt op. De zijlen van Zeearend bollen lichtjes op. Kapitein Lodewijk Egbertszoon alleen heeft de macht te zeggen waarheen zij varen zal. Een nieuwe horizon lonkt. Puerto Diablo zal voor velen snel niet meer zijn dan een stip in de verte; maar wat daar gebeurt is, zal niemand vergeten…
Puerto Diablo 4
Alras verdwijnen de rookwolken van het brandende Vrijbuiterseiland achter de horizon en ook de kustlijn van Hispagnola is verdwenen. De boeg is noord- en westwaards gericht. Nieuw Amsterdam is het doel. De reis van de ‘Zeearend’ gaat voorspoedig. Het snelle schip geeft een Spanjool het nakijken en enkele sloepen van boekaniers maken rechtsomkeert als het WIC-schip met haar geschut van zich afbijt.
Na enkele dagen doemt een enorm schip op aan de einder: de ‘Prins Willim’ van de West Indische Compagnie, de trotse tegenhanger van het gelijknamige VOC-schip. De ‘Zeearend’ komt langszij en allen worden aan boord genood. Beide kapiteins stellen voor een feest te vieren, daar zij goed zaken hebben gedaan en het wordt een late nacht voor een ieder. Later gaan beide schepen weer elk huns weegs.
De ‘Zeearend’ maakt flink vaart, totdat de wind luwt. Volgens de zeelui gebeurt dit maar al te vaak in het gebied ten westen van Florida. Niemand maakt zich zorgen, maar het duurt wel lang. Oude spanningen lopen op. De gevangenen in het ruim klagen over gebrek aan water. De voorraden raken snel op met zoveel monden te voeden. Hoewel Lodewijck niet iemand is die met wreedheid heerst, laat hij enkele opstandige matrozen zwaar geselen. Hun leider wordt gekielhaald en overlijdt aan de verwondingen van de welig tierende schelpen en zeepokken onder op de romp. Hierna is het ogenschijnlijk rustig onder de bemanning en de passagiers. Maar er blijft een zeer ongemakkelijke sfeer.
Dan steekt het briesje op, waar iedereen zo lang om gebeden heeft. De zeilen bollen lichtjes en de ‘Zeearend’ begint weer te bewegen. Toch duurt het nog lang voor er land in zicht komt. “Geitenkopbaai”, herkent een oude rot. Een kleine Nederlandse nederzetting van boeren en handelaren van de West Indische Compagnie. Dat betekent proviand en een paar dagen welverdiende rust voor iedereen. Het schip gaat voor anker en een delegatie van zwart geklede heren uit het dorp en van de Compagnie staan klaar om de kapitein te verwelkomen.
Op vrijdagavond doen twee schepen Geitenkopbaai aan. De Vlieghende Visch zet slechts enkele passagiers af bij het kleinere Overbaai. De Zeearend heeft echter dringend proviand nodig en meert af bij de WIC-post. De commandeur Leendertz van de WIC, zijn secretaris en de notabelen van het dorp staan op de kade.
Geitenkopbaai blijkt een kolonie van de volgelingen van wijlen de Amsterdamse dominee Toorenvliet. De kolonisten zijn pacifisten en verafschuwen geld. De WIC-post lijkt er niet helemaal goed mee samen te gaan. Onder andere omdat er een militante voormalige oorlogskapitein – Simon van Bergen – rond hangt. Allen die door kapitein Egbertszoon niet vertrouwd worden, krijgen een slavenband omgeslagen en dienen zich regelmatig te melden bij de WIC-post. Na verloop van tijd komt het vlot van Overbaai (in een ruime bocht om de krokodil “de ouwe taaie” heen) aangeroeid en de mensen van de Vlieghende Visch voegen zich bij de andere nieuwelingen.
Later op de avond wordt onverhoeds kapitein Egbertszoon door de roothuyden gevangen genomen en stevig aan de tand gevoeld. Met zware verwondingen, meer dood dan levend, wordt hij in het dorp teruggebracht. Het gerucht gaat dat de kapitein door middel van heidense rituelen vervloekt is, iets waar de zeeman zich zelf ook zorgen over lijkt te maken.
De ouderlingen gaan overleggen met de roothuyden, om erachter te komen wat er toch aan de hand is. Het gesprek gaat moeizaam, maar het blijkt dat de roothuyden zich druk maken over al die grote kano’s die steeds arriveren en de toenemende aantallen musketdragende bleekgezichten die aan land komen.
Ondertussen lopen de spanningen op tussen de vloekende en ruige of flamboyante buitenstaanders en de dorpelingen. De drie ouderlingen - die wil van de overleden dominee verkondigen – klagen steen en been bij de commandeur van de WIC. Op het meer valt de oude taaie het vlot aan. De indianen en Flea besluiten het beest te doden. Dat lukt maar ten koste van Flea’s linkerarm en een been van een van de bootsmannen. De roothuyden beginnen zich in de loop van de dag steeds vrijpostiger op te stellen. Ze komen het dorp in en nemen van alles mee dat los ligt. Ze lijken vooral geïnteresseerd in vuurwapens. Zelfs de medicijnman komt in het dorp rondkijken. Het blijkt dat hij komt onderhandelen over het sturen van een gemeenschappelijke krijgspartij naar de vijandelijke stam van de bleekgezicht Spanjaarden. Bij het zien van zeekaarten met hele grote itori’s (krokodillen) haakt de medicijnman echter af. Ook als de levering van de beloofde (?) musketten uitblijft, daalt het humeur van de roothuyden en ’s avonds lijkt het opnieuw tot strijd te komen en nemen de roothuyden hun dreigende houding weer aan.
De oorspronkelijk Franse bewoners van Puerto Diablo die de kern vormden van het oude Vrijbuiterseiland hebben hun intrek genomen in een huisje op Overbaai. De daar wonende taxidermist Gabriel le Loup en diens bediende Hermine, blijken goed overweg te kunnen met de wetenschappers en filosofen onder de nieuwelingen en men besluit een soiree te organiseren. Op instigatie van Hermine doen de ouderlingen echter een onderzoek waaruit blijkt dat de taxidermist een duivelsaanbidder is die in dienst van de Zonnekoning zwarte missen organiseerde. De beste man vlucht het bos in. De soiree vind uiteindelijk in uitgeklede vorm plaats in het verstotenenkamp. Als Gabriël de fout maakt om langs de heidense begraafplaats te sluipen (hij kan niet meer via het dorp en het vlot naar zijn huis) om nog wat op te halen, wordt hij door de roothuyden gedood.
Uit angst de boot te missen of haar weer uit handen te geven, brengen velen de nacht door op de Zeearend en bewaken haar goed. De roothuyden stelen ondertussen het kind van Saskia en Hendrik Molenaer (ouderling). De ouderlingen gaan ziedend het bos in om te onderhandelen, maar komen onverrichter zake weer terug. Het zou een eerlijke ruil zijn, in verband met een oude schuld van de blanken…
De volgende ochtend weet kapitein Lodewijck Egbertszoon de mensen op het schip tot kalmte te manen en laat de grootste onruststokers aan land zetten. Net als hij weg wil varen, klinken de trommels van de roothuyden. Deze komen erop toezien dat iedereen met een ‘pang’ die geen vriend is van hen of volgeling is van dominee Torenvliet aan boord van de grote kano gaat. Tevens wordt op aandringen van de medicijnman de WIC-post voorgoed gesloten. In ruil daarvoor krijgen Saskia en Hendrik hun baby terug. Kapitein Egbertszoon neemt de oproerkraaiers toch aan boord en zeilt weg.
Op zee slaan de muiters toe. De kapitein wordt gedood en overboord gegooid. Flea probeerd hem nog te redden door hem na te springen, maar vergeefs. Enkele muiters belanden ook in het water. Flea en enkele muiters vinden de dood in de Baai na een worsteling in het water. En zo vaart de Zeearend weg richting Nieuw Amsterdam onder bevel van kapitein Simon van Bergen, Geitenkopbaai in een staat van ontzetting achterlatend.
En dan dat volk aan boord. Gelukkig is kapitein Van Bergen iemand die de wind er goed onder heeft. Er zitten lieden tussen die je nog voor geen cent zou vertrouwen. De baminning zal opgelucht ademhalen als ze weer van boord zijn. Het is allemaal goed afgelopen sind het gewelddadige vertrek uit Geitenkopbaai. Een voorzichtig licht gloort aan de oostelijk hemel. De rossige gloed kondigt de nieuwe dag aan. In de verte kan men de beboste kustlijn van het vaste land zien liggen. De wouden zijn vol gevaar: beren, wolven en roothuyden kan men er aantreffen. De weinige dorpen zijn vaak Frans of Engels en de bewoners hebben geleerd om eerst te schieten en dan vragen te stellen. Ver van de oude wereld stellen de vredesverdragen tussen koningen en stadhouders niet veel voor. De uitkijk went de matroos uit zijn mijmeringen en roept hem toe: “Hee, slaapkop, ga de kapitein wekken. De Hudson is in zicht. Vanmiddag bereiken we Nieuw Amsterdam.”
Een kruier rolt de laatste ton de kade af. “De Hoop van Dokkum” is zojuist vertrokken. Bijna alle handel is opgeslagen en het schip is zojuist bevoorraad. De haven ligt er rustig bij. Maar niet voor lang, weet de kruier. Sinds Peter Stuyvesant de scepter zwaait over de WIC, bloeit de handel. Als de ton op zijn plek staat, gaat de kruier weer naar buiten. Hij gaat zitten en zet zijn hoed af. Allerlei types lopen voorbij: notabelen, handelaren en werklui. Als er een meisje van plezier voorbij komt dat hij kent van enkele nachten terug, fluit hij en maakt een obsceen gebaar. Het meisje werpt enkele krachttermen in zijn richting. Dan komt de marktmeester voorbij, die vermanend zijn houten stok rondzwaait. Op deze kade geen problemen, zolang hij in de buurt is. Moe van het werken laat de kruier zijn blik over het water gaan. Behalve de Hoop, die naar de bovenwindse eilanden gaat met een lading vurenhout en huiden, ziet hij nog een schip. Als het verder de rivier op komt, ziet hij de naam op de steven. ‘De Zeearend’ is geen groot schip, maar wel slank en fraai. Grommend slaat hij het stof van zijn kleding en staat op: werk aan de winkel…
Nadat het WIC schip de Zeearend door kapitein van Bergen veilig van Geitenkopbaai naar Nieuw Amsterdam is gevaren, wordt met sloepen word het laatste stuk op de Hudson afgelegd.
Vermoeid gaat men op zoek naar een logement.
Tot veler verbazing komt men een aantal oude bekenden tegen, waarvan men gescheiden is geraakt tijdens de woeste inval van de Spaanse troepen op Puerto Diablo. Onder hen zijn Padre van der Drecht, Peer, Madame de Courvoisier en Berend. Het blijkt dat zij met een sloep 's nachts zijn gevlucht vanaf het het Spaanse eilandje en door zeerovers zijn opgepikt die hen in Tortuga te koop hebben aangeboden. Na te zijn vrijgekocht door een sympathieke edelman, hebben zij van de franse boekanier Claire Chirac met haar beruchte schip de "Raconteur" overtocht gekregen naar Nieuw Amsterdam.
Nieuw Amsterdam blijkt niet de rustige en veilige stad te zijn die velen hoopten aan te treffen.
Men blijkt erg bang te zijn voor een op handen zijnde oorlog. De aanwezigheid van zowel een (gokverslaafde) Franse als een Engelse diplomaat lijken er op te wijzen dat andere Europese natiën loeren op de florerende havenstad.
De aanvoerder van de Staatse troepen, IJzerman, benoemt van Bergen tot admiraal en belast hem met de verdediging van de stad ter zee, mocht er een vijand opdoemen.
Er zijn al buitengaats kanonschoten gehoord en resten van een Frans schip spoelen aan bij Konijneneiland (een eilandje in de baai van de Hudson, waar zich onlangs roodhuiden van de Mohawk-stam hebben gevestigd)
De schutterij wordt opgeroepen om iedere dag bijeen te komen om te oefenen met musket en sabel.
Ondertussen zet gouverneur Stuyvesant zich op diplomatiek niveau in om de stad te behouden voor de Republiek en de WIC.
Onder de Nederlanders in de stad blijkt ook van alles te spelen. Zo zouden er zich Rozenkruizers, duivelaanbidders en landsveraders ophouden. De bewijzen hiervoor hopen zich op. Zo wordt er op het kerkhof het restant van een heidens ritueel aangetroffen in de vorm van een lege rum fles en een geofferde haan. Direct vermoedt men een boosaardige bezwering uitgesproken over de gouverneur. Verder wordt er in de papieren van WIC-secretaris Wolvert Mijnema, de rechterhand van de gouverneur, een brief aangetroffen, afkomstige van de Engelse geheime dienst. Deze brief draagt hem op te saboteren en een aanslag te plegen.
De arme secretaris blijkt na uitvoerig onderzoek slachtoffer te zijn van een snode list. Zijn eer wordt hersteld, maar hij gaat verslagen scheep naar Holland met een gebroken ziel. De ware dader blijft onbekend.
Helaas is er nog meer verraad. Een fles gericht aan de engelse diplomaat spoelt aan. Deze blijkt na onderzoek op enkele kippen een gif te bevatten. Probeert iemand de diplomaat in zijn eer aan te tasten? Wie zou het zijn en waarom? Wellicht zijn Franse collega? Of anders de duivelaanbidders, die genoegen scheppen in wanorde en misplaatste wraak?
En alsof dat nog niet genoeg is, vinden er op de straten van stad nog allerlei andere misdrijven plaats. Schout Rika Terborgh heeft het er dan ook druk mee. Een engelse trapper verdwijnt op mysterieuze wijze nadat er tijdens een diner boze woorden vallen tussen voor- en tegenstanders van het Engelse vorstenhuis. De niet al te goed bekend staande Rory Stephenson wordt door een krokodil (???) de Hudson in gesleurd. De sleepsporen leiden echter helemaal tot naast het Dorstig Hert.
En dan zijn er nog allerlei lieden opgepakt die ondanks het verbod roothuyd-gebied te betreden, toch naar Konijneneiland zijn gegaan. Volgens hun zeggen om op konijnen te jagen, maar volgens boosaardige tongen om op zoek te gaan naar een duivelse wandelende steen, en om een ander op te graven…
In het duistere kroegje "Het Dorstige Hert" (bij velen ook bekend als "het Bronsende Hert", "het Zompige Paerd" of onder vele andere onwelriekende namen) van Tolman Katoen en zijn vrouw, gaan de vreemdste geruchten rond onder het cliënteel, dat er onder betaalde vrouwelijke aandacht zich bedrinkt en in het gokspel verliest.
Gelukkig is er ook nog "het Wapen van Amsterdam" dat de meer godvruchtigen voorziet van een uitstekend maal, een goede dronk en veilig onderdak.
Als welkome afwisseling na de puriteinse taferelen in Geitenkopbaai is er in Nieuw Amsterdam aandacht voor toneel en cultuur. Zo zijn er de schilderijen van Apollonius Torentius (die druk bezig is met zijn nieuwe expositie) en het toneel op zaterdag, verzorgt door Joris Blijvoet. Vlak na de aankomst van de Zeearend wordt de "Gijsbrecht van Amstel" opgevoerd. De republikeinen houden, onder aanvoering van gezant Aage van Helvoirt, wel nauwgezet in de gaten of er niet teveel oranjegezinde sentimenten worden opgewekt.
Ondertussen gaat de handel door. Door de aanwezigheid van de WIC komen er veel pelsjagers - trappers genaamd - op de stad af. Zij hebben hun eigen kamp vlak buiten de stad. Niet alleen wordt er in tabak, huiden, suikerriet en hout gehandeld, maar ook in aandelen. Veel mensen leggen in op het nieuw te bouwen theater aan de Brede Straat.
De nieuwe secretaris, mijnheer de Groot en zijn collega mejuffrouw de Steur, zijn altijd bezig met hun handel en helpen de stad zo in deze moeilijke tijden.
Het is druk op straat. Allerlei nieuwe gezichten voor de vertrouwde inwoners tonen zich. Wel vaker brengen de vele schepen nieuwe mensen mee, maar zelden zoveel in één keer. En de verhalen die ze meenemen… Er schijnt heel wat gebeurd te zijn op een eilandje bij Hispagnola en dan die vreselijke berichten over Geitenkopbaai: Inca-schateten, Spaanse soldaten, zeerovers, muiterij. Het kan niet op. De kroegen zitten vol met lieden dia alles willen horen.
De mensen op straat gaan vrolijk door met handelen, speculeren, kletsen, elkaar bedreigen of vriendelijk begroeten, maar ondertussen oefent de schutterij nu bijna iedere dag, speurt de schout naar spionnen, kammen de soldaten de bossen uit op zoek naar verraderlijke verspieders en staat de uitkijk op de loer of er oorlogszuchtige schepen aan de einder te zien zijn.
En wie goed oplet, hoort in de verte de trommels slaan. Peter Stuyvesant kijkt grimmig in het rond. Wat zal de toekomst brengen…
Puerto Diablo 6 was een vrij rustig evenement vol dreiging. De donkere wolken waarvan sprake was in de teaser kwamen steeds dichterbij en af en toe sloeg bliksem al in.
Het schip “de Gulden Eenhoorn” bracht een flink aantal nieuwe mensen naar Nieuw Amsterdam. Opvallend vooral was de grote groep joden, die hun geluk in de nieuwe wereld kwamen beproeven. Na in eerste instantie met veel wantrouwen bezien en behandeld te worden, werden zij uiteindelijk in de gelederen opgenomen.
Het door onderbezetting getergde leger had gelukkig enkele nieuwe rekruten erbij. De bouw van de verdedigingswerken had niet stil gestaan. Maar al deze veiligheidsmaatregelen konden niet voorkomen dat er verraders werkzaam waren onder de Hollandse gelederen.
Een aantal opmerkelijk gebeurtenissen bleken later op hun plek te vallen toen marktmeester Simon Althuys en soldaat Tsjerk werden aangehouden.
De vreemde bultenziekte bleek het gevolg van een rattenplaag, doelbewust veroorzaakt door deze infiltranten. En ook waren zij verantwoordelijk voor de aanslag op de kruitvoorraad in de barakken. Gelukkig werd de brand door kordaat optreden van de stedelingen snel geblust doordat zij een lijn met emmers vormden van de haven naar het brandende gebouw. Heldhaftig optreden van de zojuist tot kolonel bevorderde Leopold Kortenaer voorkwam dat al het kruit explodeerde. Gelukkig heeft de dappere officier zijn verwondingen overleeft.
Ondertussen waren speciale gezanten van de staat, Judith Hondertwater en Aage van Helvoirt, drukdoende rapporten te schrijven en aktieplannen op te stellen om een eventuele Engelse invasie te voorkomen. Van Helvoirt achtte het vooral nodig om lieden van enige verdenking aan de zogenaamde “Zaanse Verhoormethode” te onderwerpen, om mogelijke intriges boven water te krijgen.
Vooral de net gearriveerde Moos Meier en de filosoof/kunstschilder Appolonius Torrentius kregen het zwaar te verduren.
Ondertussen veroorzaakte een vreemde buste – een soort havikskop – die iemand bij taveerne het Dorstige Hert had achtergelaten enige commotie. De autoriteiten hebben zich erover ontfermd.
De stad gonsde ook van geruchten over beeldjes, edelstenen en vreemde gouden munten die voornamelijk uit Terra Firma – het zuiden van de nieuwe wereld – afkomstig zouden zijn.
Minder mysterieus, maar wel bedreigender, waren de roothuyden van de stam van Zwarte Beer. Deze “mohawks” zoals zij zichzelf noemen, hadden twee handelaren naar de stad gestuurd, die veel belangstelling hadden voor vuurwapens en buskruit. Niet alle stedelingen waren hier even gelukkig mee. Kwamen die twee alleen handelen?
Later is er nog contact geweest tussen Zwarte Beer en gouverneur Peter Stuyvesant. De geruchten gingen dat deze “onderhandelingen” niet al te soepel liepen. Door dit te combineren met de drie Engelse diplomaten die de stad en haar omgeving bezochten, werd de sfeer steeds grimmiger. Peter Stuyvesant heeft Lord Howard – de leider van de Engelse delegatie – “voor zijn eigen veiligheid” in bewaring gesteld.
En dan schenen er ook nog Franse agenten te zijn...
Het kwartje van Stuyvesant – een extra belasting ten bate van de verdedigingswerken – maakte het er ook al niet beter op. Vooral de bierprijs, die hierdoor steeg, werd niet in dank afgenomen. Daarbij eindigde het toneelstuk van Joris Voetlicht, dat normaal gesproken de zaterdagmiddag altijd weer van aangenaam vermaak voorziet, ditmaal in een bloedbad. Blijkbaar had Voetlicht flink wat woede opgewekt, want een persoon sprong naar voren een doodde Joris met een pistoolschot. Nog voor de dader aangehouden en veroordeeld kon worden, werd hij al door de menigte gelyncht. Daarop heeft men diens lijk maar gehangen ter lering ende vermaak.
Het kwartje van Stuyvesant – een extra belasting ten bate van de verdedigingswerken – en de hierdoor steigende bierprijs, werden niet in dank afgenomen.
Kortom: In en rond Nieuw Amsterdam broeit van alles. Dit kan niet lang goed blijven gaan. Wat willen de roothuyden van Zwarte Beer nu eigenlijk? Zullen zij de Hollanders steunen, mochten de Engelsen aanvallen? Is het nog mogelijk de diplomatieke weg te bewandelen? Zijn er nog meer verraders? Wat willen de Fransen? En hoe zit het met al die mysterieuze voorwerpen en de lieden die zich daarover ontfermen?
Wat zal de toekomst brengen…?
Deze Puerto stond in het teken van de komst van de Engelse troepen onder aanvoering van sir Bennet, kanonnen en grote wolken kruitdamp. Maar... uiteraard is er nog veel meer gebeurt.
Nog niet vermoedend dat het krijgsgeweld al zo snel naderbij zou komen, ging het stadsleven op vrijdagavond haar gewone gang. Op het plein werd druk gehandeld en gewerkt. De tingieters zagen hun omzet flink toenemen door de vraag naar kruisjes, vermoedelijk ontstaan door de angst voor de gram van speciaal gezant van de Repuliek: Aage van Helvoirt.
Even ontstond er paniek toen enkele kano's van de roothuyden de rivier opvoeren. Deze bleken enkele verdwaalde reizigers af te komen zetten: wat kooplui en een franse filosoof.
Deze lieden waren door de roothuyden naar hun dorp ontvoerd en wisten enge verhalen te vertellen over de vreemde dansen waartoe opperhoofd Zwarte Beer hen gedwongen had. Ook meldden zij dat een blanke inwoner van dat dorp, Gijs genaamd, daar een heuse gravin gevangen hield. De onvervaarde jagerman Jerome de st. Victoire en de dappere filosoof Michel de Chouvert namen hierop direct actie en bevrijdden met ware doodsverachting de schone dame in nood.
Een klein drama speelde zich af, toen de uit angst voor executie gevluchte molenaarsdochter Rosalien, in blinde paniek uit de bossen opdook. Het arme kind was een week eerder door haar vader meegesleurd. In het woud werd haar vader door een beer gedood en Rosalien wist ternauwernood te ontkomen. Later op de avond vertrok zij naar Fort Oranje, alwaar haar grote liefde, korporaal Kortenaer, gelegerd is.
Ondertussen opende de vermaarde kunstschilder Appolonius Torrentius zijn langverwachte expositie. Enkele schilderijen over bevers en aardappels vielen goed in de smaak bij de uitgenodigde notabelen, maar het grote centrale werk van de serie conterfeitsels, werd direct door Aage van Helvoirt tot ontaard verklaard en de ongelukkige schilder werd aan een zwaar verhoor onderworpen.
Op zaterdag werd men al snel opgeschrikt door een heerschap en twee dames, afgezet door een Frans scheepje. Tijdens hun wandeling door het woud, werden zij verrast door een beer, die hen brullend nazat. Net op tijd wisten de drie nieuwelingen over de tegen de Engelsen opgeworpen barricades te komen. De beer werd door heldhaftige soldaten aldaar gedood. Onderzoek van de maag van de beer toonde aan dat deze recent een mens had gegeten: de molenaar wellicht?
Niet lang daarna voer een kano met een Engelse soldaat met witte vlag de haven binnen. Deze meldde dat Nieuw Amsterdam zich binnen enkele uren over diende te geven, anders zou militaire actie volgen. Onmiddellijk werden de barricades bemand, alle vuurwapens te voorschijn gehaald en kruit en kogels verstrekt. De tingieters staakten hun handel in kruisjes om kogels te gaan vervaardigen. Gelukkig kwam de compagnie van overste Scharensliep als versterking uit Fort Oranje. Dit bolwerk had onder leiding van de roemruchte Simon van Bergen standgehouden en kon wel wat mannen missen. Merkwaardig genoeg bracht deze compagnie het zwaar verwonde en levenloze lichaam van rechter en reder Quarles Schenktuyt mee, dat zij in de struiken langs het pad hadden ontdekt. Velen verdachten van Helvoirt van deze moord, maar niemand durfde dit hardop uit te spreken en er waren dringender zaken.
Een grote groep vrouwen, het beu dat deze inspecteur, met zijn al even perfide rechterhand Ferdinand van Ghent de stad terroriseerde, kwam morrend bijeen. Later werden van Helvoirt en van Ghent ontzielt aangetroffen bij het Wapen van Nieuw Amsterdam. Deze zaak zal wel nooit opgelost worden... De grote groep joden en de bioloog Zacharius Boerhave konden de spanning van het op handen zijnde beleg niet meer aan en poogde zich verbergen in de wouden rond de stad. Vrijwel direct werden zij door roothuyden en de verraderlijke pelsjager Rune Frederickson te grazen genomen en berooft, waarop zij met hangende pootjes terug kwamen.
De Engelsen bestormden ondertussen de barricades. Musketvuur, kanongebulder en de razende uitvallen van soldaat de Beuk dreven hen keer op keer terug, maar meter voor meter veroverden zij stukken stad. Aan beide zijden begon het kruit op te raken en uiteindelijk kwam van Engelse kant het verzoek tot onderhandelen. Ondertussen waren vele soldaten en de stoutmoedige wapenhandelaar David Tell gestorven, alvorens boodschappers met een witte vlag kwamen om te spreken over eventuele overgave.
De Engelse aanvoerder, zijn soldaten en enkele roothuyden werden uitgenodigd voor het diner en tijdens een goed glas wijn werd een staakt het vuren afgesproken. Niet bereid nog meer dapperen op te offeren, besloten de aanvoerders op maandagmorgen alle voorwaarden voor een nieuwe toekomst van de stad te bespreken. Overbodig te zeggen dat dit grote paniek onder de bevolking te weeg bracht. Wat zou de toekomst brengen?
De Roothuyden namen genoegen met het laten terugbezorgen met het van Konijneneneiland gestolen artefact, om de vijandelijkheden te staken. Desalniettemin maakten velen plannen om de stad snel te verlaten, niet in de laatste plaats de avonturiers uit de Caraïben en de net aangekomen joden die tolerantie van de Republiek al snel zagen verwateren, na een Engelse machtsovername. Helaas voor Zacharias Boerhave was er blijkbaar nog niet genoeg bloed vergoten. Later op de avond verdween hij onder verdachte omstandigheden.
Op zondag was er weer beroering rond het schilderij van Torrentius, dat veilig was weggeborgen in het raadshuis. De twee nonnen werden op heterdaad betrapt op het stelen ervan. Met veel geweld hadden zij het uit de lijst gesneden. Het werk was echter al verdwenen in weer andere handen, toen zij opgepakt werden. Zondagochtend was er ook een moment van bezinning voor de treurende burgers. Tijdens een uitgebreide dienst werden de gevallenen herdacht. Na de dienst wilde men de roothuyden hun voorwerp teruggeven. Vreemd genoeg kregen de roothuyden in plaats van één artefact, er maar liefst drie aangeboden…
Daarna ontstond er een ware exodus. Velen wilden de stad verlaten. Op ieder mogelijk schip werden passages geboekt: de Zeearend staat weer op het punt op uit te varen en er schijnt een zekere Canard Blue voor de kust te liggen en dan zijn er nog obscuurdere schepen… De nonnen hadden geen keus wat het verlaten van de stad betreft. Zij werden afgeranseld en voor het leven verbannen. De joodse handelaar die ze heeft vrijgekocht, heeft ze nu onder zijn hoede. De Engelsen zullen op maandagochtend een behoorlijk ontvolkte stad aantreffen.
De kruitdampen zijn opgetrokken en de lichamen van de doden geborgen. Er klinkt geweeklaag door de straten van Nieuw Amsterdam. De trotse Hollanders zullen maandagochtend inwoners zijn van het Engelse koninkrijk; een lot dat niet allen even welgevallig is. Onder andere om deze reden, vindt er een heuse exodus plaats. Roeibotenbrengen passagiers en bagage naar de zeeschepen. De wind bolt de zeilen van de Zeearend, de Canard Blue en nog enkele andere schepen. De bestemmingen lopen uiteen, maar de meeste reizigers gaan de Caraïben, waar enkele Hollandse koloniën zijn. Anderen willen de Franse gebieden bereiken. Maar een ding hebben de schepen gemeen. Ze zullen de roemruchte haven van Port Royal aan doen om daar voorraden in te slaan en handel te drijven. Het zal een eenvoudige en korte oversteek zijn om deze haven te bereiken.
Men is benieuwd of de verhalen kloppen. Er zouden lieden van over heel de bekende wereld te vinden zijn, exotische handelswaar voor een goede prijs te verkrijgen en in de kleine steegjes de meest exquise geneugten te beleven... Maar ook zouden hier piraten, boekaniers en kapers vrijelijk over straat gaan, zonder door de autoriteiten ook maar een stro breed in de weg gelegd te worden! Benieuwd, maar ook enigszins bevreesd, turen enkele reizigers naar de horizon of zij Port Royal al zien liggen...
![[puerto/siren.gif] [puerto/siren.gif]](http://www.arcana.nl/uploads/images/puerto/siren.gif)
Navigatie: Voorgaande: Enkele spaanse termen | Volgende: de Franse Musketiers