Vrouwen in de 17e eeuw

Iedereen die Uma's passie (personage van de schrijfster bij de Arcana-fantasy-live, red.) voor de strijd en het zwaard kent begrijpt dat ik een voorliefde heb voor het neerzetten van stevige dames. Met zo'n karakter kan ik in de voorste linies vechten en prozaische uitspraken doen als: "Ik kleed mij voor het gevecht als voor de liefde." Toen ik mij inschreef voor Puerto Diablo vroeg ik mij dan ook af op wat voor manier ik als vrouw wilde gaan spelen want als ik de krijgshaftige heldin wil spelen; wat had ik dan in godsnaam in dat zeventiende eeuwse patriarchaat te zoeken?
Als eerste las ik Alexander Exquemelins 'Zeerovers, verslag van een ooggetuige'. De auteur beschrijft daar volslagen droog zijn avonturen op de Caraiben en laat afgrijselijke folteringen en verkrachtingen de revue passeren. Juist door zijn emotieloze vertelling van deze laatste vergrijpen sloeg mijn eigen fantasie soms zoveel op hol dat ik wel twee pagina's moest teruglezen omdat ik nog na zat te gruwelen en daardoor niet meer wist wat ik gelezen had.
Vervolgens ben ik toen meer specifiek gaan zoeken naar hoe er over vrouwen werd gedacht in de zeventiende eeuw en ik heb me weer eens verdiept in de wetenschappers uit die tijd. Grofweg gezegd heerste in het Europa van de zeventiende eeuw de algemene opvatting dat vrouwen 'van nature' mindere wezens waren. De vrouw was ofwel een 'onvolkomen man', ofwel 'een van de man volstrekt verschillend wezen' dat onbedwingbaar werd beheerst door een tirannieke en 'humeuren' afscheidende baarmoeder. (Deze laatste opvatting heeft tot laat in de negentiende eeuw voortgeleefd, zoals we nog bij Freud zagen, waarbij de baarmoeder 'husterikos' nog steeds de boosdoener was als het ging om de psyche van de vrouw).
De omslag tussen deze twee ideeën (die eigenlijk geen omslag is geworden, zoals we aan het eind van dit betoog zullen merken) vond plaats in de zeventiende eeuw door de in die tijd populaire studies van de vrouwelijke fysiologie. De opvatting van Aristotoles (en Galenus) dat alle mannelijke geslachtsdelen bij de vrouw in geatrofieerde vorm aanwezig waren -en de daarmee verbonden joods-christelijke opvatting dat de vrouw 'onvolkomen' was omdat ze uit Adams rib geschapen was-, werd als gevolg van deze anatomische studies verdrongen door de opvatting dat de vrouw geen 'verminkte versie van de man' was, maar 'volstrekt van hem verschilde'.
Toen ik die zeventiende eeuwse filosofen opnieuw las ontkwam ik er ook niet aan me opnieuw te verdiepen in hun gestoei met de scheiding van lichaam en geest, waar Descartes ons destijds mee heeft opgezadeld. Maar omdat ik nu las vanuit een andere invalshoek -namelijk hoe er over vrouwen werd gedacht- zag ik dat ze het niet alleen moeilijk hadden met God (wat echt een big issue was) maar ook met de vrouw. Want tijdens het uitpluizen van wat die 'geest' en dat 'lichaam' nou precies behelsden kwamen zij vreselijk in de knoop met die toen opkomende opvatting -dat de vrouw een 'volstrekt verschillend wezen' was-. Zij waren immers op zoek naar een algemenere wet aangaande de Menselijke natuur. Maar als de vrouw zo verschillend was, dan zou er dus ook een specifiek vrouwelijk geestelijk kenmerk moeten zijn dat correspondeerde met het fysiologische kenmerk van de vrouw. Dat kenmerk werd de baarmoeder. (En dit was eigenlijk een scheikundige theorie, want het was toch weer geënt op de antieke 'humeuren' theorie.) Slechts weinig artsen in de zeventiende eeuw (en later) twijfelden aan de hippocratische opvatting dat de baarmoeder de oorzaak was van de meeste 'ziektes' (en eigenlijk het hele wezen en zijn) van de vrouw. Daaronder vielen ook 'ziektes' als haar natuurlijke lichtgelovigheid, zinnelijkheid, praatzucht, lichtzinnigheid en dergelijke. Daarmee was de zaak dus voor velen (niet allen) weer terug bij af, want zo kon men blijven stellen dat de vrouw 'van nature' een minder wezen was.
En dit is dan nog maar de sterk verkorte versie van wat ik (aan hemeltergende uitspraken) tegenkwam. Echt veel wijzer over hoe het er daadwerkelijk in de zeventiende eeuw aan toe ging werd ik er niet van. Vervolgens ging ik op zoek naar wat vrouwen werkelijk deden in de zeventiende eeuw. Al zoekende kwam ik erachter dat de Nederlandse vrouwen de meest beschrevenen waren.
In de zeventiende eeuw waren er in de Republiek der Nederlanden namelijk heel wat vrouwen die een opleiding genoten. Zij spraken en schreven Latijn en vertaalden vanuit het Grieks. Ook blijkt dat zij veel meer vrijheden genoten dan vrouwen in andere delen van Europa. Hollandse vrouwen stonden erom bekend dat het stevige dames waren, zowel lichamelijk als op het gebied van de wetenschap. Buiten de Nederlanden heerste de opvatting dat Hollandse vrouwen 'onvrouwelijk' waren. (te gelijk aan de man?)
Veel vreemdelingen vonden de Hollandse vrouwen groot, sterk en bazig. (En dat waren ze natuurlijk ook, ha!) Het was de vrouw van een hoge ambtenaar uit 's-Hertogenbosch die een vrouwenleger tegen de Spanjaarden in het veld bracht. In Haarlem waren het de huisvrouwen die ketels met kokende vloeistoffen de borstwering op sjouwden om ze over de hoofden van de Spanjaard leeg te gieten. En in Haarlem had je ook de kloppen. Zij fungeerden als huishoudsters voor de (katholieke) priesters, kosteressen in de schuilkerken, zij zongen er in het koor, hielden catechisaties en schooltjes, restaureerden en distribueerden beelden en boeken, borduurden gewaden en wierven of schonken fondsen voor kerk en geestelijkheid
De Spanjaarden rapporteerden met afschuw over de vrouwen in de Nederlanden toen zij zagen dat vrouwen hier onbegeleid op straat liepen, in het openbaar mannen kusten en omhelsden. Ook thuis leken deze vrouwen zich nergens voor te schamen. In gegoede Spaanse kringen waren deze vrijheden absoluut ondenkbaar. De Spaanse priester Vives schreef in zijn Taken en Plichten van de Echtgenoot dat het gedrag van de Nederlandse mannen en vrouwen 'niet overeenkomstig de natuur is' want, zo meende hij, 'de natuur heeft de vrouw een bangelijk, hebzuchtig en nederig gemoed gegeven […] en voor de edele, hooggestemde en nijvere geest van de man is het noodzakelijk dat hij actief is en zijn bezigheden buitenshuis heeft […] en is het natuurlijk dat hij de baas is'.
Maar niet alleen uit Spaanse teksten blijkt onthutsing. Ook de Engelsman Owen Feltham meldde dat 'de vrouw er de baas in huis is'.
Zelfs Hollandse mannen klaagden er over dat hun vrouwen de broek aan hadden. Echter ook in de Republiek waren vrouwen van openbare ambten uitgesloten. En zo kon het gebeuren dat de autoriteiten hogere boetes instelden voor het slaan van een echtgenoot dan voor het slaan van een echtgenote. (maar misschien sloegen ze ook écht harder, ha!)
Maar niet alleen op het gebied van lichamelijke kracht stonden de Hollandaises hun mannetje. Ook op intellectueel gebied vonden zij hun sluipwegen om kennis te vergaren. Een van die manieren was natuurlijk het klooster. Daar leerden zij lezen, schrijven en Latijn wat hen toegang gaf tot nieuwe bronnen. De best opgeleidde vrouwen spraken Latijn en vertaalden vanuit het Grieks. Zoals daar waren de gezusters Visscher. Behalve als dichteressen waren zij ook vermaard om hun glasgraveerkunst (een typische 17e eeuwse hobby -voor mannen!- sinds Galilei's telescoop). Anna Roemersdochter Visscher was bevriend met vele grote schrijvers, geleerden en kunstenaars, onder wie Cats, Hooft, Huygens, Rubens en Heinsius. Haar bijnaam: 'wijze Anna' dankte zij aan haar vrome en moralistische gedichten, maar zij kon ook geestig en ironisch zijn.
En niet te vergeten Anna Maria van Schurman. Van haar is een 'Logische Oefening' bekend: Over het vermogen van het vrouwelijke verstand tot de wetenschappen en de schone letteren welk werk het licht zag onder de titel: Dissertatio, de ingenii muliebris ad doctrinam, & meliores letteras aptitude.
Volgens mijn bron stelde zij zich 'bescheiden' op, maar persoonlijk zou ik het 'diplomatiek' willen noemen wanneer zij beweert: 'Ofschoon vrouwen wat betreft hun verstand niet met de uitmuntende mannen die als "adelaars inde lucht" zijn, vergeleken kunnen worden, toch […] zijn er vrouwen met een verstand zo goed, dat ze niet zonder vrucht tot geleerde studiën kunnen worden toegelaten'. Ja, Anna Maria was een slimme meid, zij begreep toen al dat je mannen eerst een veer in hun reet moet steken.
Zij studeerde bij Descartes zelf en was niet zijn enige vrouwelijk studente. Prinses Elisabeth van Bohemen (en dat was geen Hollandaise) werd als leerling zeer hoog geprezen door Descartes en de Engelse filosoof Henry Moore schreef over haar dat 'ze oneindig veel wijzer en filosofischer ingesteld (was) dan alle wijzen en filosofen, zowel vrouwen (er waren er dus meer!) en mannen van Europa'
Vrouwen waren weliswaar uitgesloten van openbare ambten, toch slaagde een aantal er in zeer succesvol in de handel te worden. Daarnaast werden weeshuizen, ziekenhuizen, bejaardenhuizen en tuchthuizen bestuurd door vrouwen hetgeen blijkt uit groepsportretten uit die tijd.
En zo kwam ik er al lezende achter dat er heus nog wel wat 'ruimte' was. Natuurlijk is mijn vertolking van Johanna de Nokker een volstrekt anachronisme. Maar zij was wel de vrouw van Sam Kouwenberg, een barbier uit Zierikzee die een handkar stal en in het gevang belandde. De echte Johanna de Nokker trok met haar zonen in bij haar zuster maar het leek mij leuk om haar, als haar nazaat, een nieuwe kans te geven in de eenentwintigste eeuw, waar vrouwen rollenspelen en mogen vechten in de voorste linies.

Het mag duidelijk zijn dat ik dit stukje heb samengesteld uit vele bronnen en het is in die hoedanigheid dan ook een samenraapsel van wat ik heb kunnen vinden op het net en in de boeken. Mocht er iemand zijn die wil aanvullen en/of verbeteren dan juich ik dit van harte toe.

Annis Kouwenberg.

[puerto/siren.gif]


Navigatie: Voorgaande: Politiek in de 17e eeuw | Volgende: Wapens en wapenrusting: Spaanse helmen
Site thema: