De Verleiding van de Monnik

belvedere-verleiding

Zachtjes zochten zijn blote voeten een weg over de koude kloostervloer, iedere stap voorzichtig om in het duister van de werkplaats niets om te stoten. Het zwakke licht van de nagloeiende kolen baadde de vele aambeelden en werkbanken in een scharlaken schemering, alsof de poort van de hel zelf op een kier stond. Verlaten hamers en half afgemaakte raderen waren de stille getuigen van de industrie die normaal plaats vond gedurende de dag. Voorzichtig probeerde hij om niets anders dan zijn doel te verstoren.

Langzaam gleed Martin als een schim richting het altaar, zijn habijt nog om hem heen gehuld als het laatste van het bestaan dat ooit zijn enige vertrouwde plek was. Na die ene streling van haar lippen was het alsof de duivel zelf hem had bezeten en hem tot deze waanzin dreef. Abt Phillipe had hem, en iedere andere novice, nog zo gewaarschuwd voor de verleiding van de vrouw. Maar het was te laat voor hem: iedere keer dat zijn geest afdwaalde tijdens het Heilige Werk kon hij alleen aan haar denken. Bij ieder radertje dat hij plaatste en bij ieder veermechanisme dat hij testte zag hij helder haar bruine ogen voor zich. De geest was zeker gewillig, maar het vlees o zo veel sterker. Het zou zijn ondergang betekenen.

Zijn pad bracht hem eindelijk tot zijn bestemming. Met beleid opende hij de juten zak naast het altaar en liet zijn ogen dwalen over de artefacten. De gloed van de smidse gaf de kandelaars, kelken en gereedschappen allemaal de aanblik van een avondschemering en Martins ogen rustten op een beeldje van de Heilige Maagd. Haar neergeslagen blik kon hij alleen maar interpreteren als teleurstelling. Zijn hand greep als eerste het gouden werkje, de sleutelsteen voor de meeste mechanieken die de Mauretijnen vervaardigden. Misschien was het zijn verbeelding, maar het beeld leek zwaarder dan het zou moeten zijn.

“Moge de Heer mij vergeven,” fluisterde Martin terwijl hij het beeld in de zak begon te stoppen.

“Dat zal hij zeker doen, mijn zoon.”

De kletteren van het gouden beeld op de kloostervloer klonk alsof de Heer zelf de hemel in tweeën spleet. Martins benen zakten onder hem uit. Plots zat hij op de vloer, geknield. Met twee handen kon hij nog maar net achter het gouden Mariabeeld aan grabbelen om te voorkomen dat ze oneerbiedig weg rolde.

“V-v-vader…”

De woorden vervlogen tot gestamel en de lucht kon zijn keel niet meer vinden. Martins maag keerde zich in hem om en hij frummelde met het beeldje van de heilige maagd, zijn handen dwalende.

“Wat denk je dat je aan het doen bent, mijn zoon?” Abt Phillipe zijn stem was rustig, de helder blauwe ogen van de grijsaard keken neer op de jonge monnik. Martin kon alleen naar de sandalen kijken en naar de met roet bedekte voeten van de priester.

“Hebben die enkele dagen in de buitenwereld jou verleid alsof het de slang was in de tuin van Eden? Is dat hoe jij bent omgegaan met de missie die je van de Heilige Vader hebt gekregen?”

“Het spijt mij vader, ik weet niet wat mij is overkomen…”

“Nee, mijn zoon, ik weet precies wat jou is overkomen.”

Martin zag de hand van de heilig man voor zich uitstrekken, een handreiking in het donker.

“Was het een mooie vrouw?” sprak Phillipe, terwijl hij Martin ferm overeind trok. “Niet zo verbaasd kijken, ik was ook ooit een novice. Het is juist de zware taak die wij op ons hebben genomen als Mauretijnen, afgezonderd van de buitenwereld. Wij brengen offers, net als Sint Mauritius het deed. Stukje bij beetje wordt er iets van ons afgesneden, allemaal voor de glorie Gods. Daarom zijn wij juist de puurste van alle ordes die de kerk dienen. Wij brengen het grootste offer. Maar het zou geen offer zijn als wij de prijs van het offer niet zouden weten.”

Martin keek vol ongeloof naar de abt, hij voelde zijn gezicht rood aanlopen. “Ja vader, ze was een mooie vrouw. Een adellijke dame, die ook gebruik maakte van onze escorte.”

Martin kon alleen maar naar het beeldje kijken terwijl hij terugdacht aan haar. Hij wist niet eens haar naam, maar ze was zo betoverend.

“Goed. Je bent vergeven. Je weet wat er met ons gebeurt als we het klooster verlaten. Je weet van de Toorn Gods. Binnen een dag zal je dan voor de poorten van Petrus staan. Vluchten zou dwaasheid zijn.”

“Ja, dat zou het zijn, vader.”

“En ik ben gesteld op je, mijn zoon. Niemand heeft zulke fijne handen en zo’n oog voor detail als jij. Je weet dat ik je bewonder voor jouw onderzoek naar het nieuwe flechettemechanisme.”

“Ja, dat weet ik vader.”

“En nu ga je deze dwaasheid achter je laten. Je hebt de vroege dienst voor de komende zes maanden, en minstens een maand lang kastijding. Ik hoop dat je door hebt dat dit het niet waard was.”

“Nee, vader. Dat is het wel.”

Met een doffe klap zakte de oude man ineen, met een tweede klap toen zijn hoofd het altaar raakte. Een rode veeg bevlekte het hout en de vloer. Martin verbaasde zich erover hoe teer de man kon zijn die hem altijd angst had ingeboezemd.

Hij probeerde de rode spetters op het gezicht van Maria te negeren. Langzaam stopte hij het gouden beeldje in de zak voordat hij verder zou gaan met het verzamelen van de andere giften. Hopelijk kon ze iets met de bouwplannen die hij hier voor haar verzamelde. Ze had gezegd dat ze niet de hele nacht op hem zou wachten…